29 december 2018

Zorg voor zeevarenden

Zorg voor zeevarenden

Mits toestemming van de auteur Sander Klos publiceren we hier zijn artikel over de Nederlandse Zeemanscentrale dat eerder in Schuttevaer verscheen. Hij schreef deze reportage naar aanleiding van het125-jarig bestaan van de Nederlandse Zeevarendencentrale in Rotterdam. Hij citeerde daarbij uit de toespraak die de Rotterdamse havenwethouder Visser hield in de Pelgrimvaderskerk, waarin hij vroeg  “aan het Havenbedrijf te melden als men weet heeft dat reders hun bemanningen slecht behandelen”.

‘Ontkerkelijking vergt meer aandacht van overheid voor het zeemanswelzijn’

door Sander Klos

Zorg voor zeevarenden blijft nodig. ‘Want ik geloof niets van zelfvarende schepen zonder personeel, dus u kunt bemanningen gewoon blijven verwelkomen’, zei de Rotterdamse havenwethouder Adriaan Visser half november bij het 125-jarig bestaan van de Nederlandse Zeevarendencentrale.

Rotterdam, zelf goed voor een burgerij met 170 nationaliteiten, ontvangt jaarlijks ongeveer 300.000 zeevarenden en daarin spelen zeemanshuizen een grote rol. ‘Nieuw voor mij was, dat de Zeemanscentrale zich ook bezighoudt met lobbyen en belangenbehartiging’, vertelde Visser, zelf een ervaren zeezeiler. ‘Ik maak wel eens langere zeiltochten en zit dan etmalen op zee, maar kan me nauwelijks voorstellen hoe het is om maanden achtereen van huis te zijn.’

De wethouder had behalve zijn toespraak geen cadeau meegebracht voor de jubilaris, maar beloofde na een opmerking van koopvaardijpredikant Helene Perfors wel ‘de boodschap uit te dragen’. Perfors: ‘Veel van dit werk gebeurt in het verborgene en is moeilijk over het voetlicht te krijgen. We moeten het hebben van “hoort, zegt het voort”.’ Visser beloofde er in het wekelijkse collegeoverleg melding van te maken en er op terug te komen in zijn toespraak op de traditionele havenmiddag.

Hij bevestigde het vermoeden vanuit de zaal dat dit soort beleid geen plek in het collegeakkoord heeft gekregen. ‘Neem het op in uw beleid, zodat het langer standhoudt en niet afhankelijk is van personen.’ Die plek in het akkoord komt er niet, maar Visser gaf wel aan het mee te nemen in zijn overleg met de havenmeester.

Zorgen over banen

De wethouder maakt zich zorgen over de veranderingen in havenwerkgelegenheid. ‘Dat heeft grote sociale invloed door vragen als: Wat kun je? Hoe ben je opgeleid? Ben je om te scholen? Ik benadruk die zorgen bij havenwerkgevers. En ook de zzp’ers zonder vast contract kunnen problematisch worden. Ik ben het niet altijd eens met de vakbonden, maar daar vragen ze terecht aandacht voor.’

Visser vroeg de aanwezigen in de Pelgrimvaderskerk het Havenbedrijf te helpen ‘als reders hun bemanningen slecht behandelen’. ‘Wij sturen soms voedselpakketten naar zulke bemanningen. Dus als zoiets u ter ore komt, meld het ons!’

Uiteraard was er aandacht voor de boete voor reder Royal Caribbean na werkzaamheden aan de Oasis of the Seas in Rotterdam. De Inspectie SZW trof 48 werklieden aan, die zonder tewerkstellingsvergunning onderhoud aan de Oasis pleegden. Ook constateerde de inspectie dat de Arbeidstijdenwet werd overtreden en soms te weinig werd betaald.
Visser zei ermee in zijn maag te zitten, dat er geen level playing fieldvan de Europese havens is. ‘Havens als Hamburg en die in Groot-Brittannië hanteren andere regels. Maar uiteraard is het voor ons geen prettige ingreep om werkgelegenheid en omzet naar andere havens te laten wegvloeien.’ Hij gaf niet aan of het gemeentebestuur nadien nog stappen heeft gezet.

Werkfilm

In plaats van het geijkte jubileumboekje maakten koopvaardijpastor Léon Rasser en cineast Nico Oussoren een film over het hedendaagse werk van de centrale. Diverse medewerkers en vrijwilligers van zeemanshuizen, onder meer in Eemshaven, vertellen waarom zij meewerken. Zo vertelt Priscilla Alles dat haar man haar ‘geruststellende’ filmpjes stuurt over zijn reis. Het fragment dat daarop volgt toont een zeegang die haar nachtrust niet zal bevorderen.

De titel van de film, ‘Voor hen die in nood zijn op zee’, is ontleend aan het Britse kerklied ‘Eternal Father, strong to save’, ook wel de ‘navy hymn’ genoemd. Na vertaling leverde dat het lied ‘O eeuwige Vader, sterk in macht’op.Ietwat verongelijkt werd vermeld dat dit lied niet langer als nummer 467 in het liedboek van de Protestantse Kerk Nederland staat. Daarom kregen alle aanwezigen een zelfklevende versie van het lied om in hun liedboek te plakken.

Subsidie?

Commissioner Marja van Vliet van het Leger des Heils bleek in een vraaggesprek met Posthumus een ‘binnenvaartkind’. ‘Mijn ouders zaten in de Rijnvaart en ik werd in Bazel geboren. Tot mijn vijfde kon ik aan boord wonen, maar toen moest ik met mijn broer naar het internaat in Rotterdam en dat was door heimwee lastig voor me. Mijn moeder is toen aan de wal gaan wonen. Later ging ik met de Strijdkreet collecteren op de schippersbeurs.’

Posthumus wilde weten waarom ze zichzelf voorstelde als ‘schippersdochter’. ‘Dat is inderdaad iets aparts, want mijn man zegt niet dat hij de zoon van een lasser bij Shell is.’

Van Vliet zei het de zeemanshuizen wel te gunnen dat de overheid zorg voor zeevarenden hoger in het vaandel zet. ‘Het Leger des Heils wordt gesubsidieerd. Dat zou ik de zeemanszorg ook gunnen.’

Hart vasthouden

De bijeenkomst werd afgesloten door een panelgesprek met Helene Perfors, havenarts Lucas Viruly en bestuurslid Bert Hoekstra van het zeemanshuis in Eemshaven. Die laatste meldde bezig te zijn met een uitbreiding van het huis, dat dit jaar al 16.000 bezoekers trok en vooralsnog voldoende sponsors en vrijwilligers weet te vinden.

Perfors greep terug op de woorden van Van Vliet. ‘Ik houd wel een beetje mijn hart vast bij de steun van de Protestantse Kerk Nederland voor het zeemanspastoraat. De kerkelijkheid in ons land neemt af en daardoor ook de ledenbijdragen en de geldstroom richting zee. Ik vind dat de overheid daarin haar verantwoordelijkheid moet nemen.’

Kader

Eind 1892 openden de Noorse predikant Isaachsen en zijn Nederlandse vrouw een ‘leeskamer’ aan de Boompjes 44 in Rotterdam. Die trok veel zeevarenden en vier maanden later werd de (christelijke) Zeemansbond opgericht. Met als doelen: ‘verheffing van de Nederlandschen Zeemansstand door geschiktheid voor het vak, geestesontwikkeling en verbetering van de maatschappelijke positie’. In 1894 ontstond een soortgelijke leeskamer in het Amsterdamse zeemanshuis. Rotterdam kreeg twee jaar later aan de Willemskade 24 ‘een gelegenheid tot gezellige inwoning’.

Werk zat voor de nieuwe bond. De arbeidsbemiddeling was vaak in handen van ‘makelaars der zeevaart’ of ‘huurbazen’, die het niet altijd zo nauw namen met belangenverstrengeling. Het optreden tegen die praktijken leidde in 1903 tot een wettelijke rol voor aan- en afmonsteren en registratie voor de waterschout en later tot arbeidsbeurzen, zoals in 1913 in Rotterdam. Ook kwamen er betaalbare verzekeringen voor zeevarenden en werd misbruik rond gagevoorschotten door ‘slaapsteehouders en winkeliers’ bestreden. Het was al een hele verbetering als zeevarenden loon naar huis stuurden en de havenautoriteiten erin slaagden ‘kadraaiers’ te weren van binnenlopende schepen. En het bleef niet beperkt tot de havensteden, want vanaf 1905 hield een Inspecteur voor Zeezaken zich nationaal bezig met betere wetgeving rond de zeevaart.

Goede Tempelieren

Tal van initiatieven rond armoedebestrijding en drankmisbruik (‘loge Zeemansbond No. 4 van de Orde der goede Tempelieren’) gingen in 1926 om tafel en richtten in 1927 de Bond voor geestelijken en zedelijken arbeid voor zeevarenden, kortweg de Nederlandsche Zeemanscentrale, op. Zeemansbond en Zeemanscentrale fuseerden in 1934 tot de nieuwe Nederlandse Zeemanscentrale.

Ondertussen waren naast de zeemanshuizen in Rotterdam en Amsterdam ook huizen ontstaan in Harlingen (1900, Havenplein), Cardiff (1911), Hamburg (1913, heropend 1920), Antwerpen (1921, Pretstraat 82, in 1924 wegens geldgebrek Zeemansbond gesloten), Genua (1929, gesloten in 1936 wegens oorlogsdreiging en financiële tekorten), Londen (1930, The Circus Minories, na jarenlange samenwerking met de Londense Christelijken Nederlandschen Zeevaartbond, die in 1938 werd opgeheven), Vlaardingen (samenwerking met christelijk zeemanshuis), IJmuiden (1904, door overname van het christelijk zeemanshuis van een Engels evangelisatiegezelschap), Buenos Aires (aan huis bij de predikant), Gent (Apostolaat der Zee van rooms-katholieke zijde bleek het meest geschikt), Marseille (niet gelukt, ‘alhoewel juist deze havenstad zeker één der gevaarlijkste genoemd mag worden’) en Delfzijl (leek niet geschikt voor een echt zeemanshuis, maar vanaf 1942 werden wel boekenkisten uitgereikt).

Belangrijke boeken

Over dat laatste nog enkele getallen. In 1948 telde ons land circa 20.000 zeevarenden, voor wie de Zeemanscentrale samen met de Nederlandse Christen Zeelieden Vereniging (NCZV) kort na de oorlog de Bibliotheek voor Zeevarenden oprichtten. Dat eerste jaar werden in circa 200 ‘stevige boekenkisten’ al 6000 boeken verzonden en dat steeg in zeven jaar naar 991 kisten. In 1991 gingen nog 1521 kisten naar 555 zeeschepen. Dit werk kreeg het later moeilijk door de daling van het aantal Nederlandse zeevarenden en verlaging van rijkssubsidies. De NCZV stopte eind 1978 door de daling van het aantal zeevarenden met haar werk.

De zeemanshuizen worden na de oorlog ‘posten’ of ‘rustpunten’ genoemd. Ze waren er in Antwerpen (1950), Delfzijl (1949), Genua (1951), Hamburg (1960), Londen (1954), Rouen (1955), Liverpool ( 1958) en Singapore. Ondertussen werd de doelgroep uitgebreid met baggeraars, het hospitaalkerkschip De Hoop en Gezinscontact voor varenden. In 1972 werd de samenwerking echt wereldwijd in de International Christian Maritime Association.

{{ popup_title }}

{{ popup_close_text }}

x